 |
 |
 |
 | Noten lezen/notatie en aanwijzingen |
|
|
|
|
Nu nog niet, of gedeeltelijk beschikbaar: Toonladders,intervallen, Maat en ritme Notatie. Echter op vrij korte termijn zullen ze gevuld zijn.
|
notenbalk
|
Een notenbalk bestaat 5 lijnen.Voor aan de notenbalk staat een sleutel. De sleutel geeft aan hoe de noot gelezen moet worden.Er zijn verschillende sleutels.
|
g-sleutel
|
In stukken voor de viool wordt een g-sleutel oftewel een vioolsleutel gebruikt. In het plaatje hiernaast kun je zien hoe je een vioolsleutel kunt tekenen.Kun je het niet goed zien, dan kun je het plaatje vergroten door er op te klikken.Het zogenaamde startpunt van de vioolsleutel geeft de g aan.
|
|
|
c-sleutel
|
In stukken voor altviool wordt vooral de c-sleutel gebruikt. Voor de hoge tonen echter de vioolsleutel. Het midden waar de twee buikjes samen komen, bij de c-sleutel, geeft de c aan.
|
|
|
f-sleutel
|
De cello en contrabas maken vooral gebruik van de f-sleutel.Ook hier geldt weer dat voor de hele hoge tonen de andere sleutels gebruikt worden. Het midden van de twee puntjes geeft de f aan.
|
|
|
noten
|
De noten kunnen als bolletjes op de notenbalk worden gezet.De plaats van het bolletje in combinatie met de sleutel bepaalt welke noot het is.Zo gaf het startpunt van de vioolsleutel de g aan.Dit bolletje zit op de lijn.De noot ervoor afgaande zit dus onder diezelfde lijn, de noot na de g boven diezelfde lijn.
|
|
|
|
|
De notennamen komen overeen met de eerste 7 letters van het alfabet(abcdefg).Echter, we hebben meer dan zeven noten.De eerste 7 letters worden gewoon herhaald.abcdefgabcdefg enz. In het voorbeeld zie je dan ook dat de noot voor de g de notennaam f heeft en de noot na de g de notennaam a heeft.
|
|
|
|
|
|
losse snaren
|
Hierboven zie je de weergave in noten van de losse snaren van de viool.De g-snaar is zo laag dat deze niet op,onder of boven de 5 lijnen van de notenbalk kan. Er worden hulplijntjes gebruikt.Hulplijntjes kunnen zowel onder als boven de notenbalk worden gebruikt waardoor meer noten mogelijk zijn en het niet onoverzichtelijk wordt.
|
|
|
|
waarde van de noot
|
Naast de toonhoogte is het ook belangrijk om te weten hoe lang een noot duurt.Door het toevoegen/weglaten van stokken vlaggetjes en opvulling kunnen we het verschil maken tussen lange en korte noten.Zie het schema hieronder.
|
|
|
|
|
|
Je ziet dus dat een hele noot even lang is als twee halve noten of vier kwartnoten samen.In het volgende voorbeeld kun je zien hoe de rusten met deze waarden eruit zien.
|
|
|
|
maat
|
Met maatstrepen(verticale strepen) kunnen we een muziekstuk in gelijke delen, oftewel maten, verdelen.Het eind van een muziekstuk wordt meestal aangegeven met twee maatstrepen,een dunne en direct er naast een dikke.Vooraan de eerste notenbalk,na de sleutel, staat het maatteken.Het ziet eruit als een breuk, maar dan zonder het streepje ertussen.Het bovenste cijfer geeft aan hoeveel tellen er in de maat zitten.Het onderste cijfer geeft aan welke noot 1 tel is (1=hele noot,2=halve noot,4=kwartnoot,8=achtste noot enz).Hieronder zie je een voorbeeld van 4 maten.Het bovenste cijfer van het maatteken is een drie en geeft dus aan dat er drie tellen in de maat zitten.Het onderste cijfer 4 geeft aan dat de kwartnoot 1 tel is.Bij de eerste maat kun je het ook duidelijk zien.De eerste noot van de tweede maat is een halve noot, dus twee keer zo lang als een kwartnoot en daarom twee tellen.Samen met de kwartnoot kom je weer op drie uit.De twee achtste noten in de derde maat zijn samen even lang als 1 kwartnoot.Zo zie je dus dat elke maat bestaat uit drie tellen.
|
|
|
|
voortekens
|
Noten kunnen verhoogd of verlaagd worden.Daarvoor zijn de volgende gereedschappen/voortekens:
|
|
|
KRUIS. Deze verhoogd de noot met een halve toon.De notennaam wordt verlengt met -is (bijv.fis,cis enz).
|
|
|
|
|
DUBBELKRUIS. Deze verhoogd de noot met een hele toon (-isis)
|
|
|
|
|
MOL.Deze verlaagd de noot met een halve toon. De notennaam wordt verlengd met -es.
|
|
|
|
|
DUBBELMOL.De noot wordt hierdoor met een hele toon verlaagd (-eses).
|
|
|
|
|
HERSTELLINGSTEKEN.Deze haalt kruizen en mollen weg.
|
|
|
|
|
Deze voortekens kunnen staan aan het begin van de (eerste) notenbalk,tussen vioolsleutel en maatteken.Dan noemen we ze vaste voortekens en gelden ze het hele stuk. De volgorde van kruizen : fis, cis, gis, dis, ais, eis, bis De volgorde van mollen: bes, es, as, des, ges, ces, fes Dus twee kruizen voor aan de notenbalk betekent dat elke f een fis wordt en elke c een cis
Staat er een voorteken voor de noot dan noemen we dit een toevallige voorteken.Dan gelden ze voor alle gelijknamige noten gedurende diezelfde maat.Echter wanneer zo'n noot wordt overgebonden naar de volgende maat dan geldt deze noot ook nog in die maat. Zie voorbeeld.
|
|
|
|
|
|
|